Einde van de wereld. Op oude zeekaarten werd dit meest zuidelijke van de Canarische Eilanden in de 14e eeuw door Portugese zeelui ‘Kaap Nee!’ en ‘Niet verder!’ genoemd. Vanwege de verschrikkelijke stormen die hier de wateren soms teisterden sprak men ook wel van ‘Terra do Santanás’ (land van duivels).
De Spanjaarden vonden er een minder demonische, op de kleur van de rotsen geïnspireerde naam voor: eiland van ijzer (hierro). In 1884 verleende de stad Greenwich officieel toestemming om El Hierro te vernoemen naar de cartografische nullijn.
Plaaggeesten heden ten dage willen het nog wel eens hebben over “het gat van de wereld”, “verwèggistan”, “dichtgeplakt met krantenpapier”, en wat dies meer zij.
Niks van aan trekken.
Eigenzinnig. Blijft ontegenzeglijk het feit dat dit El Hierro een nogal afgelegen en rustgevend eilandje is met een onmiskenbaar eigen karakter. Een eigenzinnig eiland dus om hartstochtelijk veel van te gaan houden. En daar draagt de van nature zeer vriendelijke bevolking ook zeker haar steentje toe bij.
Gezien de weinige toeristen die je er tegenkomt is dit alles totnogtoe een redelijk goed bewaard gebleven geheim. En eigenlijk willen we dat graag zo houden. Dus hou dit een beetje onder de pet.
Landschappen. Ook op dit eiland in pocketformaat (slechts 287 km2) tref je een duidelijk verschil in klimaatzones en dus ook in vegetatie aan: het groene noorden versus het dorre zuiden. En elk heeft zo zijn eigen charmes.
De streek El Golfo in het noorden is eigenlijk een lang-gerekte, vruchtbare baai met een rotsachtige kust en steil tegen de bergflanken omhoog kruipende wijngaarden tussen wat versnipperde, dromerige dorpjes. En waar je ook komt, de tijd lijkt er stil te hebben gestaan.
Wie de dwarse bergkam (1500 m) in zuidelijke richting trotseert, belandt op de dunbevolkte hoogvlakte van El Pinar die deels met pijnbossen bedekt is; af en toe ook wat cultuurgronden en een verdwaalde zandverstuiving. Hier kan de ferme wandelaar zijn hart ophalen, in geuren en kleuren.
|